Vlamingen op de Canarische eilanden (1)

Geschreven op 10-03-2021


Duizenden Vlamingen voelen zich vandaag thuis op de Canarische eilanden. Al veel vroeger gingen landgenoten op zoek naar de Canarische zon, maar niet als toerist. Bijna de ganse 15de eeuw leverde Spanje strijd om de eilanden te veroveren. Jorge Grimón vocht mee met de Spaanse bezetters. Eens de kolonisatie een feit was, staken meer landgenoten de zee over, op zoek naar rijkdom.

Jorge Grimón, een vechtersbaas uit de buurt van Namen, was een specialist in vuurwapens. Hij vocht in het Spaanse Granada tegen de Moren, waar hij een troep leidde van een dertigtal gewapende infanteristen. Zijn naam zal wel verspaanst zijn, misschien heette hij Georges Grimón. Wallonië heeft een lange traditie in de wapenindustrie. De regio rond Luik was al in de 15de eeuw gespecialiseerd in vuurwapens. Tijdens mijn verplichte legerdienst heb ik nog met een Fal moeten schieten, een wapen gemaakt door FN Herstal (ik raakte zelfs de metersgrote roos amper, maar dit terzijde). Vandaag is dit bedrijf volledig in handen van het Waalse gewest.
Jorge Grimón was in feite een huurling. Die waren er voldoende in de 15de eeuw. De Spaanse literatuur noemt hem een Vlaming, maar dat moeten we met een korrel zout nemen. Hij noemde zichzelf een Bourgondiër.

Begin 1500 vinden we hem terug in Tenerife en hij kwam zeker niet met vakantie. Hij vocht mee tegen een groep opstandige Guanches, mogelijk ergens in de buurt van Guaza, een dorpje niet ver van Los Cristianos.
Zoals vele ‘conquistadores’ kreeg Jorge Grimón als beloning gronden en zo vestigde hij zich in de regio La Laguna, Icod en Orotava. Een plaats met de naam El Borgoñon zou eeuwen later nog bestaan hebben. Na de conquista begon hij zijn gronden te bewerken, maar vechten zat hem in het bloed. Hij werd vrijgesproken voor een moord op ene Machín Gueste. Zijn dochter Bárbola getuigde dat haar vader gewelddadig was en dat ze hem vreesde. Nog andere familieleden noemden hem een wreedaardig persoon.  Erg fier moeten we dus niet op hem zijn.

Na de Spaanse verovering van de eilanden begon de kolonisatie en dat trok naast Spanjaarden ook andere Europeanen aan. Dat had voor de Spaanse Kroon voordelen, want zo werd ontvolking vermeden en kon weerstand geboden worden aan de vijanden van Spanje.
Terug naar Vlaanderen. In de 16de eeuw was Antwerpen (al) een van de belangrijkste Europese havens. Het geld rolde er en een groep rijke Vlaamse handelaars zwaaiden er de plak. Ook Brugge was Europese top.  
De adellijke Antwerpse familie Van Dale behoorde tot de stedelijke elite en was steenrijk. Ze droeg de titel ‘Heren van Lillo en Berendrecht’. Familieleden bekleedden belangrijke publieke mandaten in Antwerpen en andere Vlaamse steden. Zij hadden deelgenomen aan verschillende militaire expedities onder keizer Karel. Pauwel Van Dale kreeg het ereteken ‘Ridder van het Gulden Spoor’, een mooi visitekaartje om in het Spaanse rijk te tonen.

Al snel deed in Vlaanderen het nieuws de ronde dat op de eilanden veel geld te verdienen was met suiker en wijn.  Rond die tijd gaf de suikertrafiek met de Canarische eilanden Antwerpen een bijkomende troef. Eerst stonden 12 burgers genoteerd als suikermakers en 50 jaar later waren dat er 88, patissiers inbegrepen. Hoewel de bronnen schaars zijn, berekent professor Manuel Lobo dat in 30 jaar zeker 220 ton suiker tussen de eilanden en Antwerpen werd verscheept.
De familie Van Dale sprong op de kar en rook geld op de ‘Suykereilanden’. In 1562 valt de naam Van Dale voor het eerst in La Palma. Dochter Marie Van Dale trouwde met Melchior Groenenberghe, die zich al eerder op La Palma had gevestigd.  Door dat huwelijk verkreeg Pauwel Van Dale een suikeronderneming op La Palma. 

De familie Van Dale kocht de betere gronden en ze beheerde de suikermolens van Tazacorte. Ze beheerste nu het hele proces: suiker maken, exporteren en verkopen.  Ze handelde niet alleen met Europa maar ook met het nieuwe continent Amerika. In 1564 besliste de Spaanse kroon om in Santa Cruz de La Palma een delegatie te installeren van de zogenaamde ‘Juzgado de Indias’. Alle boten richting de Caraïben vertrokken nu uit de haven van Santa Cruz de La Palma.

De Vlaamse families stippelden een geraffineerde huwelijkspolitiek uit en trouwden met andere rijke families. Dat was in die tijd een normale strategie, ook van keizers en koningen: macht en bezit verwerven door te vechten, maar vooral door te trouwen.
Er waren eerst de huwelijksbanden met de familie Groenenberghe.  Die familie werd rijk in Tenerife in de regio van Orotava. Hun netwerk ging tot in Sevilla en Andalusië.  Er kwamen familiebanden met de hertog van La Gomera en de heer van El Hierro. Van Dale werd Vandala en Groenhenberghe Monteverde. Voor meerdere eeuwen behoorden Vlaamse families tot de heersende klasse van de Canarische eilanden. Zij legden mee de basis van het grootgrondbezit op de eilanden, maar ook van grote ongelijkheid en bittere armoede voor de uitgebuite landarbeiders.

Erik Van den Storme (De Canarische eilanden, een onfortuinlijke geschiedenis)