VERVOEGING EL PRESENTE

VERVOEGING EL PRESENTE

Geschreven op 29-03-2020
Guy Devos


Als je een taal wil leren je wilt je zo snel mogelijk uitdrukken is het gebruik en de de vervoeging van werkwoorden cruciaal. In het Spaans zijn er nogal wat vervoegingen, de ene wat makkelijker dan de ander. We starten alvast met de onvoltooid tegenwoordige tijd die ons zal helpen om onze eerste zinnetjes te vormen.

De onvoltooid tegenwoordige tijd is een werkwoordvorm waarbij het volgende wordt uitgedrukt:
* een handeling die op het moment van spreken bezig is;
* een toestand;
* een gebeurtenis die in de (zeer) nabije toekomst plaats zal vinden;
* een handeling die in het verleden is begonnen en tot op het moment van spreken voortduurt.
In het Spaans heet deze veelgebruikte vervoeging El Presente

1. REGELMATIGE WERKWOORDEN
Eindigen op -AR / -ER / -IR zoals cantar (zingen), comer (eten) en vivir (leven)
De stam blijft onveranderlijk: cant- / com- / viv- en de uitgangen veranderen naargelang de persoonlijkheidsvorm.
CANTAR (zingen) – (yo) canto, (tú) cantas, (él/ella/Usted) canta, (nosotros) cantamos, (vosotros) cantáis,
(ellos/ellas/Ustedes) cantan. ⟺ ik zing, jij zingt, hij zingt, wij zingen, jullie zingen, zij zingen
COMER (eten) – (yo) como, (tú) comes, (él/ella/Usted) come, (nosotros) comemos, (vosotros) coméis,
(ellos/ellas/Ustedes) comen. ⟺ ik eet, jij eet, hij eet, wij eten, jullie eten, zij eten
VIVIR (leven) – (yo) vivo, (tú) vives, (él/ella/Usted) vive, (nosotros) vivimos, (vosotros) vivéis,
(ellos/ellas/Ustedes) viven. ⟺ ik leef, jij leeft, hij leeft, wij leven, jullie leven, zij leven
In het Spaans wordt het persoonlijk voornaamwoord weinig gebruikt en moet men kijken naar de uitgang van het werkwoord om te begrijpen welk pers. vnw. er bedoeld wordt.
De uitgang van 1ste persoon enkelvoud eindigt bij de drie typewerkwoorden steeds op stam +o.
Daarna moeten we een onderscheid maken; de ‘a’ en de ‘e’ van de werkwoorden eindigend op -AR en -ER blijven behouden, de ‘i’ van de werkwoorden eindigend op -IR veranderen in ‘e’.

2. ONREGELMATIGE WERKWOORDEN (VERBOS IRREGULARES)
SER (zijn) – (yo) soy, (tú) eres, (él/ella/Ud.) es, (nosotros) somos, (vosotros) sois, (ellos/ellas/Uds.) son
ESTAR (zijn) – (yo) estoy, (tú) estás, (él/ella/Ud.) está, (nosotros) estamos, (vosotros) estáis,
(ellos/ellas/Uds.) están

Let op (!): het verschil in gebruik van deze twee werkwoorden wordt HIER uitgelegd.
IR (gaan) – (yo) voy, (tú) vas, (él/ella/Ud.) va, (nosotros) vamos, (vosotros) vais, (ellos/ellas/Uds.) van
OIR (horen) – (yo) oigo, (tú) oyes, (él/ella/Ud.) oye, (nosotros) oímos, (vosotros) oís, (ellos/ellas/Uds.) oyen
OLER (ruiken) – (yo) huelo, (tú) hueles, (él/ella/Ud.) huele, (nosotros) olemos, (vosotros) oléis,
(ellos/ellas/Uds.) huelen

Uitzonderingen met een veranderlijke 1ste persoon enkelvoud.
ASIR (grijpen) – (yo) asgo, (tú) ases, (él/ella/Ud.) ase, (nosotros) asimos, (vosotros) asís, (ellos/ellas/Uds.) asen
CAER (vallen) – (yo) caigo, (tú) caes, (él/ella/Ud.) cae, (nosotros) caemos, (vosotros) caéis, (ellos/ellas/Uds.) caen
DAR (geven) – (yo) doy, (tú) das, (él/ella/Ud.) da, (nosotros) damos, (vosotros) dais, (ellos/ellas/Uds.) dan
DECIR (zeggen) – (yo) digo, (tú) dices, (él/ella/Ud.) dice, (nosotros) decimos, (vosotros) decís,
(ellos/ellas/Uds.) dicen
HACER (doen, maken) – (yo) hago, (tú) haces, (él/ella/Ud.) hace, (nosotros) hacemos, (vosotros) hacéis,
(ellos/ellas/Uds.) hacen
PONER (leggen) – (yo) pongo, (tú) pones, (él/ella/Ud.) pone, (nosotros) ponemos, (vosotros) ponéis,
(ellos/ellas/Uds.) ponen
SABER (weten, kennen) – (yo) , (tú) sabes, (él/ella/Ud.) sabe, (nosotros) sabemos, (vosotros) sabéis
(ellos/ellas/Uds.) saben
SALIR (vertrekken, uitgaan) – (yo) salgo, (tú) sales, (él/ella/Ud.) sale, (nosotros) salimos,(vosotros) salís
(ellos/ellas/Uds.) salen
TENER (hebben, bezitten) – (yo) tengo, (tú) tienes, (él/ella/Ud.) tiene, (nosotros) tenemos, (vosotros) tenéis
(ellos/ellas/Uds.) tienen
TRAER (leveren, brengen) – (yo) traigo, (tú) traes, (él/ella/Ud.) trae, (nosotros) traemos, (vosotros) traéis
(ellos/ellas/Uds.) traen
VALER  (kosten, waard zijn) – (yo) valgo, (tú) vales, (él/ella/Ud.) vale, (nosotros) valemos, (vosotros) valéis
(ellos/ellas/Uds.) valen
VENIR (komen, aankomen) – (yo) vengo, (tú) vienes, (él/ella/Ud.) viene, (nosotros) venimos, (vosotros) venís
(ellos/ellas/Uds.) vienen
VER (zien, bekijken) – (yo) veo, (tú) ves, (él/ella/Ud.) ve, (nosotros) vemos, (vosotros) veis, (ellos/ellas/Uds.) ven

3. ONREGELMATIGE WERKWOORDEN WAARBIJ DE LAATSTE MEDEKLINKER VERANDERT.
c verandert in z → mecer – mezo
g verandert in en j → coger – cojo
gu verandert in g → distinguir – distingo
qu verandert in c → delinquir – delinco
Werkwoorden eindigend op een klinker of op -duce of -cer plaatsen wij een z voor de c.
TRADUCIR (vertalen) – (yo) traduzco, (tú) traduces, (él/ella/Ud.) traduce, (nosotros) traducimos, (vosotros) traducís, (ellos/ellas/Uds.) traducen
CONOCER (kennen, weten) – (yo) conozco, (tú) conoces, (él/ella/Ud.) conoce, (nosotros) conocemos
(vosotros) conocéis, (ellos/ellas/Uds.)
Uitzonderingen daarop zijn
HACER (doen, maken) – (yo) hago, (tú) haces, (él/ella/Ud.) hace, (nosotros) hacemos, (vosotros) hacéis, (ellos/ellas/Uds.) hacen
MECER (schommelen, wiegen) – (yo) mezo, (tú) meces, (él/ella/Ud.) mece, (nosotros) mecemos, (vosotros) mecéis, (ellos/ellas/Uds.) mecen
COCER (koken, bakken) – (yo) cuezo, (tú) cueces, (él/ella/Ud.) cuece, (nosotros) cocemos, (vosotros) cocéis, (ellos/ellas/Uds.) cuecen

4. ORTHOGRAFISCHE UITZONDERINGEN
* Waarvan de klinkerverandering zich voordoet in het enkelvoud en in de 3de persoon meervoud
e verandert in i → SERVIR (dienen) – sirvo, sirves, sirve, servimos, servís, sirven
e verandert in ie → CERRAR (sluiten) – cierro, cierras, cierra, cerramos, cerráis, cierran
o verandert in ue → RECORDAR (herinneren, onthouden) – recuerdo, recuerdes, recuerde, recordamos, recordáis, recuerden
* In werkwoorden eindigend op -IAR of -UAR wordt een accent geplaatst in het enkelvoud en in de 3de persoon meervoud. In de tweede persoon meervoud stond er reeds een accent.
ESPIAR (loeren, spioneren) – espío, espías, espía, espiamos, espiáis, espían
ACTUAR (doen alsof) – actúo, actúas, actúa, actuamos, actuáis, actúan
PROHIBIR (verbieden) – prohíbo, prohíbes, prohíbe, prohibimos, prohibís, prohíben
REUNIR (verzamelen, samen komen) – reúno, reúnes, reúne, reunimos, reunís, reúnen
* In werkwoorden die eindigen op -UIR verandert de i in y bij de vervoegingen in het enkelvoud en in de 3de persoon meervoud.
SUSTITUIR (vervangen, aflossen) – sustituyo, sustituyes, sustituye, sustituimos, sustituís, sustituyen

!! Opmerking !! Werkwoorden in het Spaans hebben meestal verschillende vertalingen in het Nederlands.
Hierbij een voorbeeld van de mogelijke vertalingen van SALIR om dit gegeven duidelijk te maken. Verslik je niet hé …!
gaan; vertrekken; weggaan; heengaan; opstappen; opbreken; uitgaan; stappen; de hort op gaan; verlaten; verwijderen; wegtrekken; smeren; afreizen; wegreizen; terechtkomen; geraken; verzeilen; belanden; reizen; rondreizen; trekken; zwerven; verdwijnen; blijken; uitkomen; bewaarheid worden; uitstappen; eruitgaan; eruit gaan; uitrijden; vooraan staan; afsluiten; vluchten; wegkomen; ontvluchten; weglopen; ontsnappen aan; zich vrijmaken; ontkomen; wegrennen; ontglippen; conveniëren; geschikt zijn; passen; deugen; passend zijn; ervandoor gaan; zich uit de voeten maken; de plaat poetsen; hem smeren; extraheren; losmaken; uittrekken; uithalen; lostornen; tornen; loskrijgen; naar de vijand overlopen; vrijkomen; loskomen; op vrije voeten gesteld worden; ontslagen worden; vooruitsteken; vooruitspringen; opgeven; stoppen; afhaken; ophouden; afzien van; afvallen; eruitstappen; afzeggen
vertrekken; heengaan; weggaan; uitkomen; uitstromen.