Vlamingen op de Canarische eilanden (2)

Geschreven op 10-03-2021
Koen Van Gorp


In een eerste artikel beschreef ik hoe rijke families vanaf de 16de eeuw de handel in suiker en wijn op de eilanden beheersten. Argual en Tazacorte in La Palma waren een Vlaams bolwerk, schrijft Jesús Pérez Morera.  In dit nummer wil ik meer over deze families vertellen. Bij toeval kwam ik ook de verre voorouders van een vroegere klasgenoot tegen. 

In het begin van de 16de eeuw leefden Vlamingen als echte heren op hun uitgestrekte domeinen, samen met hun gezin en hun slaven. In 1520 reisde Jácome de Monteverde voor zaken naar Vlaanderen en hij noemde zich daar zonder schroom ‘el señor de Canarias’, ‘de heer van de Canarische eilanden’. 
Hoewel Vlamingen hun naam verspaansten, koesterden ze toch hun Vlaamse afkomst. Hun huizen bekleedden ze met dure tapijten, schilderijen en handgemaakt meubilair uit de lage landen. Zelfs bakstenen verscheepten ze en gegeerde tegels in Delftse steen versierden hun muren. Duiven en duiventillen vonden hun weg naar de eilanden. Misschien introduceerden Vlamingen de duivensport. Ik herinner mij een kok in een restaurant op Gran Canaria die mij vroeg of ik ‘Janssens en Janssens’ kende. Ik dacht spontaan aan het olijke detective-duo uit de kuifjesalbums, maar neen. Van de gebroeders Janssens uit Arendonk had hij reisduiven gekocht, die het zeer goed deden op de eilanden. Hij toonde me een duif en prees haar kwaliteiten aan, maar ik ben geen duivenkenner, dus begreep ik het niet.

Dat hun rijkdom onbeperkt was, kunnen we afleiden uit een testament van Groenenberghe. “Allen de fazenda, landen, huysen, plantagien gestaen in den eylanden van Palma onder den rycke van Canarien, landen van suyckere, saylanden, wynlanden ende andere, met noch die actie van Caldera oft ketel met alle de ingineen, werckhuysen, ketelen, slaven, beesten, moelenen, huysraed, instrumenten  ende hoodanighe andere gereedschapen, actien, vryheyden, liberteyten ende andere toebehoirten.” (Fernand Donnet)
Om die rijkdom te beveiligen werden familiebanden en erfenissen streng bewaakt. Zo stond in Spanje beschreven dat wie trouwde met een moor, een jood of een zwarte zijn erfenisrechten zag vervallen, ook al ging dat tot verschillende generaties terug. Wie zich bekeerde tot het christendom werd nog niet aanzien als echt zuiver. Ook bepaalde beroepsgroepen vielen onder die maatregel.

De Vlaamse namen op de eilanden zijn intussen welbekend, maar een naam die mij opviel was die van Maria Vandale-Van de Werve de Schilde, mooi, rijk en een gegeerde bruid. Zij werd hertogin van La Gomera, las ik. In 1958 zat in mijn klas, in het Scheppersinstituut te Mechelen (1958), een medeleerling met de welluidende naam Lorenzo van de Werve de Schilde. Hij was van adel. Broeder onderdirecteur, een bevlogen man met opvallend grijs haar en strenge blik, sprak hem in onze klas altijd in het Frans aan, wat ik niet begreep. Lorenzo blijkbaar ook niet, want hij antwoordde altijd in het Nederlands. Vreemd dat ik meer dan een halve eeuw later een van zijn voorouders tegenkom in de 17de eeuw op de Canarische eilanden. Ik heb wat moeite gedaan om Lorenzo op te sporen, maar het is mij niet gelukt. De adel schermt zich nog altijd goed af.

Terug naar La Palma. De families waren niet alleen rijk, ze hadden ook hun eigen rechtssysteem. Als symbool van hun macht posteerden ze een galg op hun domein, voor wie zich niet aan de regels hield. In hun kapellen zoals de San Pedro, San Miguel en Las Angustias pronkten ze met hun status. Ze hingen er hun schilden op en versierden de muren met schilderijen en beeldhouwwerk uit de Lage Landen. Aan Nuestra Señora de las Angustias schonk een Vlaamse familie een klok, getekend door Petrus van den Guein, een klokkengieter uit Mechelen (1561-1593).

Om zich te verdedigen tegen rovers en zeerovers waren zij gemachtigd om wapens te dragen en ze maakten van hun domein een versterkte burcht. Ze hadden hun eigen kleine vloot om hun suiker en wijn naar Vlaanderen te verschepen en producten uit de lage landen naar de eilanden te brengen.
Hun volledige onafhankelijkheid van het lokale bestuur zorgde soms ook voor wrevel. De klachten over Jácome Monteverde bereikten de eilandregering. Hij ging te ver en moest gestopt worden. De aanklacht luidde dat hij zich niet aan de vasten hield, de biecht weigerde, geen heiligen vereerde en de kerkelijke feesten niet respecteerde. Kortom, hij hing de protestantse leer van Luther aan. De Inquisitie waarde als een spook over de eilanden. Uiteindelijk werd hij opgesloten in een kerker in Sevilla en hij keerde nooit terug naar La Palma. Als boete stuurde men hem daarna naar een klooster waar hij overleed in 1531. Zijn vijf kinderen zetten de zaak verder en de gronden werden verdeeld.

Ook andere Europeanen ontdekten als snel de eilanden. Wie ik vooral wil vernoemen is kapitein Juan Angel Poggio, een pionier uit Genua. Ook aan hem hangt een persoonlijk verhaal vast. Op vrijdag 13 maart 2020 ontmoette ik Manuel Poggio in het Convento de San Francisco, een prachtig gebouw, dat heerst over een stemmig plein in de hoofdstad Santa Cruz de la Palma. Als hoofdarchivaris heeft hij zijn kantoor in een bijgebouw van het vroegere klooster, waar nu een bibliotheek en een museum zijn ondergebracht. Ik was op zoek naar een testament uit de 16de eeuw van de familie Vandewalle. Manuel bevestigde mij dat de familie Poggio ongeveer gelijktijdig met de familie Vandewalle op de Canarische eilanden aanspoelde. In de hoofdstad Santa Cruz de La Palma is er nog altijd een Calle Vandewalle.

De zeetocht tussen Vlaanderen en de Canarische eilanden was geen plezierreis. In 1574 vertrekt ene Cornelis de Ruytere naar La Palma om een aantal commerciële problemen op te lossen tussen een Antwerpse handelaar en de familie Groenenberghe. Na wat strubbelingen ontscheept hij op 1 augustus 1576 met een zeilboot in Tazacorte richting Antwerpen. Hij is in het bezit van een koffer boordevol papieren. Ter hoogte van de Azoren komt hij in een storm terecht en tot overmaat van ramp verzeilt zijn schip stuurloos tussen een Portugese oorlogsvloot. Met 6 medereizigers vlucht hij in “eene schuyte int eylant geheeten Feal”  (Fernand Donnet). Gelukkig heeft hij zijn koffer kunnen redden. Na een dag of 10 kan hij mee met een karveel richting Sevilla en zonder problemen vaart hij verder naar Calais, waar hij eindelijk een boot vindt naar Antwerpen. Rond La Manche komt hij  opnieuw  in een vreselijke storm terecht en het schip knalt tegen de rotsen “in Gornouaille (Cornwall) achter Engeland”. De Ruytere kan zich in zee vastklampen aan een stuk wrakhout en overleeft, maar de koffer met documenten is verdwenen.

Erik Van denStorme. De Canarische eilanden, een onfortuinlijke geschiedenis en de lotgevallen van Flamencos en Holandeses.